1947 - Een 'Link' zender/ontvanger geïnstalleerd aan boord van een ijsbreker. Alhoewel bedoeld als vaste post voor stationaire opstelling werd de apparatuur veelvuldig aan boord van schepen gebruikt, te meer omdat veel schepen 110 of 220V spanning voorziening hadden
1947 - Een 'Link' zender/ontvanger geïnstalleerd aan boord van een ijsbreker. Alhoewel bedoeld als vaste post voor stationaire opstelling werd de apparatuur veelvuldig aan boord van schepen gebruikt, te meer omdat veel schepen 110 of 220V spanning voorziening hadden

 

1949 - Link Type 1498 zender/ontvangers in gebruik als vaste posten ten behoeve van het Openbare Landelijk Net geplaatst in het Coolsingel hoofdpostkantoor te Rotterdam

1949 - Link Type 1498 zender/ontvangers in gebruik als vaste posten ten behoeve van het Openbare Landelijk Net geplaatst in het Coolsingel hoofdpostkantoor te Rotterdam

 

 1949 - Kaartje met basisstation locaties

1949 - Kaartje met basisstation locaties

 

Mobilofoon type SRR192 en bijbehorende afstand bedienkast. De apparatuur werkte in de 70-80MHz frequentie band en had een zendvermogen van circa 20 watt. Dit apparaat werd hoofdzakelijk toegepast voor het Openbaar Landelijk Net, maar werd ook gebruikt bij o.a. Politiediensten

 Mobilofoon type SRR192 en bijbehorende afstand bedienkast. De apparatuur werkte in de 70-80MHz frequentie band en had een zendvermogen van circa 20 watt. Dit apparaat werd hoofdzakelijk toegepast voor het Openbaar Landelijk Net, maar werd ook gebruikt bij o.a. Politiediensten

 

 Telefonistes belast met 005 OLN verkeer

 Telefonistes belast met 005 OLN verkeer

 

Openbaar Landelijk Net mobilofoon van het type SRR296 voorzien van acht kanalen. Rechts de met buizen uitgevoerde zender/ontvanger, in het midden de voedingseenheid (6 volt of 12 volt) met roterende omvormer en uiterst links de luidspreker, afstandbedienkast en telemicrofoon. Om te spreken (semi-duplex net) moest een schakelaar in de telemicrofoon worden ingedrukt. Frequentie band: 70-87 MHz, zenderuitgangsvermogen 20 watt. Opgenomen stroom bij zenden (6 volt accu) was ruim 34 ampere! 

Openbaar Landelijk Net mobilofoon van het type SRR296 voorzien van acht kanalen. Rechts de met buizen uitgevoerde zender/ontvanger, in het midden de voedingseenheid (6 volt of 12 volt) met roterende omvormer en uiterst links de luidspreker, afstandbedienkast en telemicrofoon. Om te spreken (semi-duplex net) moest een schakelaar in de telemicrofoon worden ingedrukt. Frequentie band: 70-87 MHz, zenderuitgangsvermogen 20 watt. Opgenomen stroom bij zenden (6 volt accu) was ruim 34 ampere!

Een ingebouwde SRR296 mobilofoon

Een ingebouwde SRR296 mobilofoon

 

OLN Standaard basisstation type 8MZ650 in gebruik vanaf begin 60er jaren tot de sluiting in 1986

OLN Standaard basisstation type 8MZ650 in gebruik vanaf begin 60er jaren tot de sluiting in 1986

 

1956 - Kaart waarop aangegeven de locaties en kanaalnummers van de tweede fase Openbaar Landelijk Net

1956 - Kaart waarop aangegeven de locaties en kanaalnummers van de tweede fase Openbaar Landelijk Net

 

OLN Mobilofoon type CMT gemonteerd in een auto

OLN Mobilofoon type CMT gemonteerd in een auto

OLN Mobilofoon type CMT gemonteerd in een auto

 

OLN Mobilofoon type CQM 600 in de stuurhut van een binnenvaart schip

OLN Mobilofoon type CQM 600 in de stuurhut van een binnenvaart schip

9 - Niets te gek om los te lopen

De geschiedenis van het mobiele telefoonnet.

Oprichting van het Openbaar Landelijk Net (OLN)

Na de bevrijding in Mei 1945 werd direct begonnen met het herstellen van de communicatie netwerken, te beginnen met de openbare telefonie. Dit was geen eenvoudige taak omdat vele lokale- en districtcentrales waren vernietigd door het oorlogsgeweld en de vernielde bruggen, wegen en spoorbanen het transport van apparatuur en technici bemoeilijkten. De regering in ballingschap te Londen had dit reeds voorzien en geruime tijd voor de feitelijke bevrijding 200 radiotelefoons (vaste posten) besteld in de Verenigde Staten. Omdat alle telefoon centrales wel vernietigd zouden zijn dacht men een nood-net te moeten bouwen, gebaseerd op radioverbindingen gelokaliseerd op district- en knooppunt telefooncentrales.

Toen echter in 1945 bleek dat het aantal vernielde telefooncentrales enorm meeviel, werd het plan verworpen en de 200 vaste posten overgedragen aan de PTT. Deze radiotelefoons waren afkomstig van  de Fred M Link Radio Corporation, een pionier of het gebied van mobiele radio communicatie met name de ontwikkeling van frequentie gemoduleerde VHF apparatuur. De 'Link' zender/ontvanger Type 1498 had 1 kanaal in het frequentie bereik 70-100MHz en een uitgangsvermogen van 50 watt. De apparatuur werd ingezet als tijdelijke voorziening op die plaatsen waar communicatie van vitaal belang was maar waar de lijnverbindingen nog niet waren hersteld. Binnen enige maanden werd een groot aantal van dergelijke installaties geplaatst, hoofdzakelijk voor Rijkswaterstaat, Binnenlandse Zaken en de Koninklijke Landmacht. Het installatiewerk was, door de hieraan verbonden meerdaagse reizen, voor de betrokken PTT'ers bepaald geen pretje. De transportvoorzieningen waren uitermate slecht en de lokale accommodatie doorgaans zeer primitief.


Na de opbouw van het binnenlandse openbare telefoonnet werden deze tijdelijke mobiele netten geleidelijk opgeheven. De vrijkomende Amerikaanse apparatuur werd deels toegepast in commerciële gesloten netten voor o.a. havendiensten, maar vooral in het eerste openbare landelijk mobilofoonnet. Dit nieuw opgerichte net voorzag in de toenemende behoefte aan een landelijk dekkend openbaar radiotelefoonnetwerk dat een mobiele post (destijds abonnee genaamd) via een telefoniste zou kunnen doorverbinden naar elk willekeurig openbaar telefoonnummer. Reeds op 12 april 1949 werd het eerste basisstation voor dit netwerk in Rotterdam in dienst gesteld, tien dagen later volgde Amsterdam. Gebruik werd gemaakt van twee duplex kanalen waarbij de frequenties werden herhaald door het gehele land. Op plaatsen waar de radiodekking onvoldoende bleek werden aparte hulpontvangers geplaatst. Zie het hiernaast afgedrukte kaartje met de toenmalige locaties en toegewezen frequenties: kanaal 1 en kanaal 2. De mobiele post, toen al Mobilofoon genaamd, was een speciaal door PTI (Philips Telecommunicatie Industrie) voor dit netwerk ontworpen zenderontvanger type SRR192, bestaande uit een op afstand bediende apparatuurkast die meestal in de kofferruimte werd ingebouwd (die daarmee zowat vol was). De bediening geschiedde door middel van een afstandbedienkast (meestal gemonteerd onder het dashboard) waarop de schakelaar voor de kanaal keuze.

Drie minuten!

Voor het maken van een oproep naar de telefoniste moest de abonnee eerst het juiste kanaal inschakelen en ten minste 5 seconden de microfoon indrukken. Dit was voldoende om een oproepsignaal te tonen bij de telefoniste, waarna zij vroeg naar het nummer van de mobiele abonnee en het gewenste  telefoonnummer. Hierna sloot de telefoniste de verbinding, om kort daarna de mobiele post op te roepen en de gewenste telefoonverbinding tot stand te brengen. Na circa drie minuten kwam de telefoniste tussenbeide met de mededeling dat de gesprekstijd was verlopen. Een oproep naar een mobiele abonnee vanuit het openbare net via het telefoonnummer 005 was iets complexer: de telefoniste moest wel globaal weten waar de mobiele abonnee zich bevond. Hiernaast werd verwacht dat deze ook op het juiste kanaal was en het verkeer beluisterde of er wellicht een oproep voor hem bij was. Natuurlijk bleek deze situatie zelfs in die tijd op den duur niet meer houdbaar zodat verdere uitbreiding van het aantal kanalen en telefonistes nodig was.

Watersnoodramp in 1953

Direct na de watersnoodramp in 1953 kon alleen nog gebruik worden gemaakt van het intact gebleven Zeeuwse deel van het Openbaar Landelijk Net. In record tijd werden er twee basisstations bijgebouwd, in Zierikzee en in Goes. Een belangrijk deel van de communicatie kwam die eerste dagen tot stand door de inzet van radiozendamateurs die met primitieve middelen de meest essentiële verbindingen tot stand wisten te brengen (zie ook venster 35). Uit deze periode stamt ook de (na de privatisering opgeheven) “PTT Mobilofoon Nood- Reserve”. Dit was een afgesloten deel in het landelijke magazijn waar complete systemen werden opgeslagen voor gebruik bij rampen.

Tweede fase van het Openbaar Landelijk Net

Uitbreiding tot 8 kanalen vond plaats rond 1955, hierdoor konden de onderlinge afstanden tussen de basisstations worden verminderd (celverkleining) waardoor een betere dekking en een grotere capaciteit werd bereikt. Het aantal basisstations was na het voltooien 36 stuks,  een verdubbeling ten opzichte van het vorige netwerk. In nauwe samenwerking met, en na uitgebreid onderzoek door het Dr Neher Lab werd door Philips Telecommunicatie Industrie (PTI te Hilversum) nieuwe apparatuur ontwikkeld bestaande uit nieuwe 8 kanaal mobilofoons van het type SRR296 en wat later basis stations  8MO650 en 8MZ650, en telefoon terminal apparatuur.

In 1959, tien jaar na de eerste aansluiting, waren er ruim 600 gebruikers, voor het merendeel geplaatst op vaartuigen. In 1959 betaalde de abonnee Fl 70,- per maand. Dit was inclusief service maar exclusief de gesprekken. Het kopen van apparatuur kwam pas in de 80er jaren in zwang, tot die tijd werden mobilofoons 'ter beschikking gesteld' voor een bepaald huurbedrag waarin de service was inbegrepen.
 
Vanaf midden 60er tot eind 70er jaren werd het Openbaar Landelijk Net een aantal malen uitgebreid. Ook kwamen er afzonderlijke Openbare Haven netten (aanvankelijk 3 in Rotterdam en een in Amsterdam), ook wel ‘Havenradio’ genoemd. Dit gaf een grote ontlasting van de verkeersdrukte op het OLN.
Door verkleining van de kanaalafstand van 50kHz naar 25kHz kon het aantal OLN en Havenradio kanalen verder worden uitgebreid. De binnenvaart schippers vormden toen het overgrote deel van de abonnees.
Uiteraard waren deze kanalen nog handbediend en was tussenkomst van een telefoniste noodzakelijk.
Langzamerhand werden de omvangrijke mobilofoons met radiobuizen vervangen door hybride buizen/transistor apparatuur (Philips Zephyr), en de nog veel kleinere volledig getransistoriseerde  Philips CMT en Storno CQM600 mobilofoons.

Tenslotte werd rond 1971 in Rotterdam twee openbare lokale netten in dienst gesteld waarbij de abonnee direct een nummer (in Nederland) kon kiezen zonder tussenkomst van de telefoniste. In 1986 werd het Openbaar Landelijk Net opgeheven, nadat de eerste automatische autotelefoon netten (zie venster 24) al een tijd in dienst waren.

Het Openbaar Landelijk Netwerk, was destijds de trots van de Nederlandse PTT, omdat geen land ter wereld over een volledig landelijk dekkende dienst beschikte.