Fig. 1 - Naamboek Roermond 1920

Fig. 1 - Naamboek Roermond 1920

 

 Fig. 2 - Naamboek ‘s Hertogenbosch 1920

Fig. 2 - Naamboek 's-Hertogenbosch 1920

 

Fig. 3 - Plan Districten 1929

Fig. 3 - Plan Districten 1929

 

Fig. 4 - Automatiseringsplan 1930

Fig. 4 - Automatiseringsplan 1930

 

Fig. 5 - Stand automatisering 1937

Fig. 5- Stand automatisering 1937

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Fig. 6 - Naamlijst doorzoekbaar op Delpher

Fig. 6 - Naamlijst doorzoekbaar op Delpher

 

38 - Wie tot tien kan tellen...

Inleiding

Telefoonabonnees kregen vanaf het begin een nummer. Maar in later jaren bleek telkens weer dat hierbij geen rekening was gehouden met de ontwikkelingen in het telefoonnet. Diverse keren moest dan ook het nummersysteem worden aangepast. Hierbij moest altijd rekening worden gehouden met de perceptie van de gebruiker en dit worden afgewogen tegen de technische eisen die door de apparatuur werden gesteld.

De eerste nummers

In de jaren 1881 tot 1900 kregen nieuwe abonnees een nummer in volgorde van aanmelding. Dat had tot gevolg dat in de grotere netten nummers van 1, 2, 3 en 4 cijfers voorkwamen (zie fig. 1). Toen echter lokale netten om economische redenen gesplitst werden over meerdere centrales waarnaar bestaande abonnees overgeheveld werden gaf dit gebrek aan structuur een probleem. Dit werd in eerste instantie opgelost door in de telefoongids een letter voor het nummer te zetten (bv. de “S” voor de centrale Scheveningen, de “V” voor de centrale Vught (zie fig. 2). Bij het opgeven van het nummer aan de telefoniste moest deze letter ook genoemd worden.
Deze praktijk werd in andere landen nog tot na de tweede wereldoorlog toegepast waarbij de eerste letters van de wijk werden gebruikt, bv. MAY6543, een abonnee in de Londense wijk Mayfair. Daarom stonden in die landen naast cijfers ook letters op de kiesschijf.

De lokale automatisering

Bij de invoering van automatische lokale centrales was het vanwege de apparatuur noodzakelijk dat binnen een centrale alle abonneenummers dezelfde begincijfer(s) hadden, liefst even lang waren en minimaal drie cijfers hadden. Dus moesten de nummers van alle abonnees die korter waren dan het langste nummer aangepast worden. Het plaatsen van voorloopnullen (bv. nummer 2 zou dan nummer 0002 worden) werd als niet praktisch gezien. De nul stond achteraan op de kiesschijf en de gebruiker zou de nullen weg kunnen laten. Er werd vaak voor gekozen iedereen een nieuw nummer te geven zodat abonnees altijd het “Naamboek”, zoals de telefoongids werd genoemd, moesten gebruiken. In netten met meer centrales werd de letter die gebruikt werd in het handverkeer omgezet in een of meer cijfers om de centrale waar de abonnee op was aangesloten aan te duiden.
Bij de automatisering werd ook duidelijk dat het langer maken van de telefoonnummers ernstige gevolgen had voor de investeringskosten van een centrale. Het was dus zaak de groei van het lokale telefoonnet zo goed mogelijk te voorspellen en de nummers zo uit te geven dat nummerwijzigingen zo weinig mogelijk voorkwamen. Als in een stad vanwege de groei van het aantal abonnees een nieuwe centrale werd gesticht waar een deel van de abonnees naar toe verhuisde dan kregen deze abonnees nummers met een nog niet gebruikt begincijfer.

Het landelijk verkeer werd via telefonistes afgehandeld. Omdat er nog weinig structuur in het netwerk zat kon een verbinding via vijf telefonistes lopen. Dit was kostbaar en daarom werd besloten het interlokale verkeer te concentreren binnen een gebied dat district genoemd werd. Op basis van een studie ontstond een plan voor 22 districten die ieder via één interlokale handcentrale hun interlokale verkeer afwikkelden (zie fig. 3).
Omdat directe verbindingen tussen alle districten niet altijd rendabel waren werden de districten verdeeld in vijf groepen waar een groepscentrale het verkeer naar districten van andere groepen zou afwikkelen.

De landelijke (interlokale) automatisering

Aan het einde van de twintiger jaren van de vorige eeuw was het hele telefoonnet, met uitzondering van de drie grootste steden, in handen van PTT. Bij de onderzoeken naar de kosten van automatisering bleek dat in het reeds bestaande 22 districten plan drie districten bij andere districten gevoegd moesten worden omdat zij als automatische interlokale centrale te onvoordelig zouden zijn. Binnen een district werden maximaal 10 sectoren voorzien met ieder maximaal 10 lokale gebieden. Hiervoor waren kengetallen van twee cijfers voldoende. Omdat echter de grenzen van de districten voor de abonnees niet duidelijk waren moesten ook centrales in naastgelegen districten bereikt kunnen worden zodat een derde cijfer nodig was. Dit driecijferig nummer werd kengetal genoemd. Voor dit getal moest de abonnee een “0” kiezen om aan te geven dat een interlokaal nummer gekozen werd. Dit werd in de naamlijst aangegeven met de “K” van kengetal, de “K” stond ook op de kiesschijf bij de “0”.
Maar bij het uitwerken van het plan bleek dat meer besparingen bereikt konden worden door de districten Amsterdam (eerste cijfer = 9), Rotterdam (8) en Utrecht (7) vanuit alle districten automatisch bereikbaar te maken. Door een slimme keuze van de overige cijfers kon vanuit ieder district alle naastgelegen districten bereikt worden.
In het landelijk gebied in het noorden (Leeuwarden, Groningen en Zwolle) waren echter meer dan 30 sectoren nodig. Hierdoor kwam het twintigste district Beilen tot stand dat na de oorlog weer opging in de andere districten. De indeling is op naastgelegen figuur 4 te zien evenals het eerste cijfer van het zogenaamde “kengetal” en welke andere districten bereikt konden worden.
Al spoedig nadat de eerste netten automatisch interlokaal verkeer kregen (1934) werd duidelijk dat volledige automatische bereikbaarheid gewenst en economisch voordelig was. Automatisering resulteerde - ook in de economisch slechte tijden - in een aanzienlijke verkeerstoename. Hiervoor was het noodzakelijk dat een vierde cijfer aan het kengetal werd toegevoegd. Voor de keuze van de eerste twee cijfers golden de volgende randvoorwaarden:

1. Het eerste cijfer zou voor de districten aangesloten op dezelfde groepscentrale gelijk moeten zijn
2. Als abonnees een oud kengetal kozen dan moest dit herkenbaar zijn zodat de oproep bij een telefoniste kwam.
3. Het kengetal moest landelijk uniform zijn. Onafhankelijk waar vandaan men belde moest hetzelfde netnummer gebruikt kunnen worden.
4. De overgang naar viercijferige kengetallen moest met weinig aanpassing van de bestaande apparatuur mogelijk zijn. Dit was mogelijk door de  eerste twee cijfer bij elkaar te nemen. Zo werd “22” in de apparatuur een “4” en “29” een “11”.

De verbindingen in het midden van het land waren al geautomatiseerd (zie fig. 5) zodat alle eerste cijfers behalve de “1” en “8” in gebruik waren. Voor Amsterdam werd daarom voor “29” gekozen zodat door het bij elkaar nemen de nog niet gebruikte stand “11” werd bereikt. Daarmee lag voor de groep districten behorende bij Amsterdam als eerste cijfer “2” vast.  De “8”werd gebruikt voor de districten van de groep Arnhem.  De “1” was alleen in gebruik voor verkeer tussen Leeuwarden en Sneek. Door het nieuwe netnummer voor deze centrales snel in te voeren (1937) kon de “1” in 1939 gebruikt worden voor de districten van de groepscentrale Rotterdam.

Omnummering van 3 naar 4 cijferig kengetal

De omnummering werd gefaseerd uitgevoerd.  Vanaf 1937 werden nieuwe geautomatiseerde netten direct voorzien van een viercijferig kengetal. En bestaande automatisch te bereiken sectoren werden geleidelijk omgezet. In 1941 waren alle kengetallen viercijferig.

Invoering korte netnummers

De invoering van korte netnummers was vooral een maatregel om op apparatuurkosten te besparen. Minder cijfers betekende bij de toenmalige apparatuur dat minder apparatuur nodig was voor het verwerken van die cijfers. Dat was vooral van belang voor de grote steden waar het meeste verkeer naar toe ging. Als door de groei van het aantal abonnees in een plaats het lokale nummer een zesde cijfer moest krijgen, dan zou in het hele land een kostbare uitbreiding nodig zijn. Dit kon voorkomen worden door die plaats een kort netnummer te geven. Daarnaast hoefde de abonnee minder cijfers te kiezen. In het nummerplan van 1937 was de “0” niet gebruikt als tweede cijfer dus was het een logische keus dat Amsterdam van 02900 naar 020 ging, Rotterdam van 01700 naar 010, Utrecht van 03400 naar 030, Zwolle van 05200 naar 050 en Nijmegen van 08800 naar 080. Dan bleef het eerste cijfer van het kengetal de groep districtcentrales aangeven. Omdat Eindhoven veel meer abonnees had dan 's-Hertogenbosch kreeg deze 040. Bij het invoeren van een kort netnummer voor Den Haag was er echter een probleem omdat 010 al in gebruik was. Omdat de “7” niet voorkwam als eerst netnummercijfer kon deze gebruikt worden voor korte netnummers. Den Haag ging van 01700 naar 070, Alkmaar van 02200 naar 072, Hengelo van 05400 naar 074 en Breda van 01600 naar 076.

Groei van lokale nummers

Een consequentie van een open nummer systeem is dat bij groei van het aantal abonnees in een lokaal gebied er een tekort aan nummers ontstaat en het abonneenummer met een cijfer moet worden uitgebreid. Dit heeft grote consequenties voor de abonnees en voor de apparatuur. Een belangrijk principe is dat het mogelijk moet zijn op basis van het eerste gekozen cijfer te bepalen of een oud of een nieuw nummer wordt gekozen. Daarvoor werd bijna altijd een van de eerste cijfers vrijgehouden die gebruikt werd om voor het bestaande nummer te plaatsen. Zo kon de nummerwijziging eenvoudig worden uitgelegd aan de abonnees.

Andere nummers

Al vanaf de lokale automatisering bestonden speciale nummers voor andere toepassingen dan het bereiken van een abonnee. Om de telefoniste te bereiken koos men eerst “00” en later “006”.
Ook andere diensten waren in de “00” reeks ondergebracht. Internationaal was echter afgesproken dat voor internationale gesprekken “00” zou worden gebruikt vóór het landnummer. In Nederland was hiervoor echter “009” in gebruik. Gebruik van “00” werd pas mogelijk toen de diensten die in de “00” reeks bestonden naar andere nummerreeksen konden worden overgebracht.
In de zeventiger jaren van de vorige eeuw ontstond het idee om diensten in te voeren waarbij PTT alleen het transport verzorgde maar de inhoud door derden verzorgd werd.
Er bestonden toen al een paar van deze diensten zoals de moppenlijn van Max Tailleur. Die gebruikten echter gewone telefoonnummers. Zo’n dienst moest een landelijk uniform nummer hebben en aan zijn nummer moest de klant kunnen zien dat er een bijzonder tarief voor de oproep gold.
Het district Deventer had in het nummerplan van 1935 het netnummer 06700 gekregen maar dat was inmiddels (in 1964) gewijzigd in 05700. Deze 06-reeks werd toen gebruikt voor deze speciale diensten maar later ook voor mobiele telefonie.

Alarmnummer

In vele lokale netten werden alarmnummers voor politie, brandweer en ambulance ingevoerd als korte lokale nummers. In Europees verband werd gestreefd naar een standaard kort nummer “112” voor al deze diensten. Dit vraagt echter dat nergens in Nederland lokale nummers beginnend met “11” voorkomen. Vanaf het moment dat dit Europese besluit genomen werd heeft PTT de uitgifte van lokale nummers beginnend met ”1” gestaakt. Doordat in veel plaatsen de nummercapaciteit moest worden uitgebreid werd door het voorzetten van een ander cijfer dan een “1” veel van de bestaande “1xx..” nummers vervangen.

Decibel

In het begin van de negentiger jaren van de vorige eeuw werd het duidelijk dat in het komende decennium veel nummeraanpassingen nodig zouden zijn. De groei van de vraag naar telefoonnummers was versneld doordat vele bedrijven overgingen naar doorkiezen van hun telefoonautomaten. Zonder doorkiezen werd per lijn slechts een nummer gebruikt. Een huisautomaat met 5 lijnen naar het openbare net had voor iedere lijn een nummer nodig voor de administratieve afhandeling. Die nummers stonden niet in het telefoonboek, alleen het hoofdnummer werd gepubliceerd. Ging deze klant over op doorkiezen dan moest ieder aangesloten toestel een eigen openbaar telefoonnummer krijgen. Dat werd uitgegeven in blokken waarbij rekening werd gehouden met de groei van het bedrijf in de komende jaren. Een bedrijf met 5 lijnen had bv. een huisautomaat met 300 aansluitingen en hiervoor werden dan 1000 nummers gereserveerd. Voor 1990 waren het alleen de zeer grote bedrijven die doorkiezen gebruikten omdat dit een kostbare investering vroeg. Door de digitalisering kwamen echter ook kleinere huisautomaten op de markt die de doorkies functie boden. Ook waren de tarieven voor doorkiezen die de PTT vroeg drastisch gedaald omdat dit in de moderne centrales eenvoudig te realiseren en onderhouden was.
Met de operatie Decibel in 1995 werden alle nummers voor vaste en mobiele telefonie tien cijfers. Ook werd de 08 reeks vrijgemaakt voor gebruik als gratis en laag tarief nummers en de 09 reeks ingevoerd voor betaalnummers.

Literatuur

1. De automatisering van de telefoon in Nederland gedurende het tijdvak 1927-1940, D. van Hemert, Het TT-Bedrijf Deel XI nr. ¾ mei 1962
2. De automatisering van het Nederlandse telefoonnet. J.H. Warning, De Ingenieur nr. 42 (1934)
3. De ontwikkeling van de telefonie. J.H. Schuilinga inspecteur bijzondere dienst der PTT
3. Honderd jaar openbare telefonie, ing. P.A. de Boer Studieblad PTT, nr. 3, maart 1981
4. Telefonie in Nederland 1877-1940, Onno de Wit, proefschrift TU Delft
5. Nummerplan voor telefoon- en ISDN-diensten. Staatscourant 1999, nr. 14
6. Nummerplan telefoon- en ISDN diensten, versie 17 april 2008
7. Het viercijferig kengetal door I.r. P. Harkema

Oude telefoonboeken zijn in te zien op Delpher: